Home
Eer is teer Afdrukken
zaterdag 25 augustus 2007

Eer is teer (over eremoorden in Pakistan, uit Allah & Eva van Betsy Udink)

"Een poos geleden stonden de kranten vol met verhalen over de eremoord op Afsheen Musarrat. Afsheen was een jonge vrouw van eenentwintig jaar, studente informatica aan de universiteit van Multan. Ze kwam uit een rijke en gegoede familie, de Sahu-clan uit Multan. Haar vader had een advocatenkantoor en iedereen in de familie heeft aan de universiteit gestudeerd, inclusief de meisjes, of heeft de militaire academie doorlopen. De clan heeft politieke invloed in en rond Multan; een flink aantal Sahu's is burgemeester, en één Sahu is staatssecretaris in de federale regering in Islamabad. Maar een hoge opleiding en sociologische kennis blijkt geen reden te zijn niet aan eerwraak te doen.
Afsheen was verliefd op een medestudent, Hassan, een 24-jarige achterneef van moederskant. Zij wilde zelfs trouwen met Hassan. Haar grootvader, haar vader en de broers van haar vader waren daar pertinent tegen. De clan van Hassan behoorde tot een ander politiek machtsblok in Multan, en erger nog: Afsheens opa, Allahditta Sahu, wilde niet dat een deel van zijn landerijen als erfenis van Afsheen zou overgaan naar Hassans familie, hoe klein dat deel uiteindelijk ook zou zijn. Hij wilde zijn bezittingen behouden voor zijn zoons en de zoons van zijn zoons en voor zijn achterkleinzoons. De familie besloot tot een huwelijk tussen Afsheen en een luchtmachtpiloot, evenals het meisje een kleinkind van Allahditta Sahu. Na een paar dagen huwelijk ging het al mis en Afsheen keerde terug naar haar ouderlijk huis. Haar grootvader kwam direct aanzetten met een nieuwe kandidaat-echtgenoot: een andere kleinzoon. Afsheen weigerde: ze wilde alleen Hassan.
Het meisje werd verbannen naar het dorp waar de familie oorspronkelijk vandaan komt, en waar ze huizen en landerijen bezit. Ze werd opgesloten en mocht met niemand contact hebben. Maar Afsheens oude kindermeid onderhield, net als de kindermeid in Romeo and Juliet, stiekem het contact tussen de geliefden. Ze maakten plannen om er samen vandoor te gaan. Ze vluchtten naar Rawalpindi, maar de Sahu-clan kwam achter hun schuilplaats. Afsheen trapte in de zoete praatjes van haar familie: ze was weer welkom in het ouderlijk huis in Multan en er zou haar geen haar gekrenkt worden. Zodra Afsheen weer thuis was, begonnen haar vader en grootvader over een andere echtgenoot dan Hassan. Nee, ze wilde niet, ze wilde alleen Hassan. De volgende dag - het was het einde van de ramadan en eid ul-fitr, het Suikerfeest - riep de grootvader zijn zoons en kleinzoons bij zich. Voor hen was het duidelijk: met Afsheen was geen land te bezeilen, een ongezeglijk meisje, dat niet naar de familie luisterde en dat zich liet meeslepen door romantische liefde, met alle kwalijke gevolgen van dien. Verliefde meisjes ondermijnen de belangen van de clan, ze doen waar ze zin in hebben, ze zijn ongehoorzaam, ze onteren de mannen van de familie. De mannen verklaarden Afsheen tot kari, en spraken daarmee tegelijk haar straf uit: onmiddellijke eliminatie van haar bestaan en van alle herinneringen aan haar. Tijdens de feestdagen in november werd Afsheen in haar ouderlijk huis in Multan afgeslacht door haar vader, haar grootvader en haar ooms. Afsheen moest boeten omdat ze haar liefde voor Hassan niet wilde opgeven.
Voor een eremoord huur je niet iemand in, de familie doet het zelf. De familie is tegelijk aanklager, rechter en beul. In feite valt eremoord onder de georganiseerde misdaad want degene die de moord pleegt doet dit altijd met de steun en in overleg met anderen. Het zijn altijd de mannelijke bloedverwanten die zich als beul aanbieden en de straf voltrekken. Zij zijn verraden. Zij zijn in hun hemd gezet. Hun gezag is ondermijnd. Hun is onrecht aangedaan. Hun eer is diep, diep gekwetst. Hun eigendom is beschadigd. De ondraaglijke schande die ze moeten torsen door de ongehoorzaamheid van de kari, daar kunnen ze niet mee leven. Ze zien de vingers die naar hen wijzen, de monden die zeggen dat zij geen meester zijn over hun vrouwen. Het is onverdraaglijk. Een echte vent slacht zelf de ongehoorzame vrouw in zijn familie, zoals een echte vent ook zelf de keel doorsnijdt van een geit of een kameel of een os op de ochtend van eid ul-adhah, het islamitische slachtfeest. Dat laat je niet door de slager doen, het bloed moet over de vloer van je eigen keuken vloeien of over de stenen van je oprijlaan en daarmee de zonden wegspoelen. De enige manier om de wereld te laten zien wie de baas is in de familie, is de kari met huid en haar te verdelgen. Grootvader en zoons sloegen en schopten Afsheen in hun tomeloze furie. Opa maakte het karwei af en wurgde het meisje met haar eigen dupatta.
De dood is niet het einde van de straf. Karo kari's moeten eeuwig in de hel branden. Het lijk mag niet bijgezet worden op een begraafplaats, het wordt zomaar ergens onder de grond gestopt of in de rivier gegooid zonder de rituelen die de dode in de zorg van Allah aanbevelen. Het lijk wordt niet gewassen en het wordt niet in een lijkwade gewikkeld. Er worden geen gebeden gezegd. Het is de moeder, de zussen en de nichten en tantes verboden te rouwen om een kari. Straf voor kari's houdt de wind eronder bij de rest van de vrouwen, het maakt dat ze permanent in angst leven. Het is een terreurbewind van de mannen. In de Engelstalige kranten kon je van dag tot dag de ontwikkelingen in de 'zaak-Afsheen' volgen. De Human Rights Commission of Pakistan had lucht gekregen van de dood van Afsheen en vermoedde meteen dat er iets niet pluis was en ging op onderzoek uit. De HRCP-vertegenwoordiger in Multan werd door het hoofd van de politie met een kluitje in het riet gestuurd. Het excuus dat de politiecommandant gebruikte, gaf blijk van een vooruitziende blik. Als er al sprake was van eremoord, zei hij, dan zouden de daders zich ongetwijfeld beroepen op 'hevige en plotselinge provocatie', een verzachtende omstandigheid die de wet in Pakistan biedt en vrijwel altijd wordt toegepast in geval van karo kari. Het betekent: een man is zodanig gekwetst of beschaamd dat hij zijn woede niet kan intomen en in zijn verstandsverbijstering degene die zijn eer heeft gekwetst, doodt. Zijn straf is mild: één, hoogstens twee maanden gevangenis.
De HRCP zette door en bracht de dood en de levensgeschiedenis van Afsheen in de publiciteit. Er werd aangedrongen op sectie. Afsheens familie vond dat 'schennis van het lijk' en wilde niet zeggen waar het lichaam begraven was. Het graf werd toch gevonden, maar toen weigerde Afsheens familie het lijk te identificeren. Er werd iemand anders gevonden, een vrouw uit de gemeenteraad, die Afsheen aan haar kleding herkende. Afsheen was letterlijk kapotgeslagen. Haar gezicht was onherkenbaar, haar hals vertoonde sporen van wurging. Ze had diepe wonden op armen en benen, haar romp was kapotgetrapt. Er kwam echter geen schot in het onderzoek naar de daders. Commentatoren en columnisten eisten harde maatregelen en zware straffen. De politie werd laksheid en corruptie verweten, de politiek koude onverschilligheid. Het mediabombardement op eremoorden hield aan totdat de president van het land, generaal Musharraf, zich persoonlijk met de moord op Afsheen bemoeide. Hij gaf de commandant van het legerkorps in Multan opdracht de daders te arresteren en voor het gerecht te brengen.
Direct na de interventie van Musharraf werd de grootvader, Allahditta Sahu, gearresteerd, maar een dag later was hij alweer thuis. Sindsdien is het stil rond de moord op Afsheen. Het is doodstil. Een rechtszaak zal er niet komen, volgens de Daily Times. De clan van Allahditta Sahu heeft geld uitgedeeld en zijn invloed in het lokale en het districtsbestuur gebruikt om de zaak naar zijn hand te zetten. En, het belangrijkste: ze hebben gebruik gemaakt van twee islamitische bepalingen in de wet van Pakistan en hebben de moordenaars vergeven. Opa en ooms van Afsheen zullen niet voor de moord worden vervolgd ómdat haar vader hen heeft vergeven.

Ik zit omringd door de vrolijk gekleurde en heerlijk geurende struiken van mijn tuin en lees in The News hoe het zit met schikkingen in kwesties van eremoord. In de Pakistaanse wet staan twee bepalingen uit de Koran die als het ware een vrijbrief vormen om meisjes die een morele grens zijn overgestoken, af te maken. Het gaat om qisas, vergelding, ofwel het oudtestamentische 'oog om oog, tand om tand, leven om leven', en over diyat, bloedgeld. De andere kant van vergelding: vergiffenis valt ook onder qisas. Vergeven: een van de hoogste deugden van de mensheid, wat mooi dat mensen elkaar genade kunnen schenken! Maar dat sprookje gaat onder de islamitische wet niet op. In het geval van eremoorden, in het geval van Afsheen bijvoorbeeld, is vergiffenis niet bestemd voor het slachtoffer, is het geen vergeving van haar zonden, maar verschoning van haar moordenaar of moordenaars. De wali, de opzichter, voogd en eerste erfgenaam van het slachtoffer bezit het recht op vergelding en het recht om vergiffenis te schenken. De wali van Afsheen is haar vader en hij heeft gebruik gemaakt van zijn recht de daders van de moord op zijn dochter, dat wil zeggen zijn vader en zijn broers, te vergeven. Afsheens vader heeft zijn eigen vader en zijn broers verschoond van het martelen en doden van zijn dochter en hen daarmee vrijgesteld van strafvervolging. Ze hoeven niet voor de rechter te verschijnen en zullen voor de moord nooit de gevangenis in hoeven. Als gevolg van de islamitische bepalingen van qisas en diyat is eremoord een zaak van de familie, van clan of stam geworden. Het is de familie die besluit de karo en de kari te doden. Na de executie is het de familie die als rechter optreedt en de beul vrijspreekt, en die bepaalt dat de moordenaar geen bloedgeld hoeft te betalen aan de erfgenaam, de opzichter van de omgebrachte vrouw. De staat als aanklager is door de islamitische wet buitenspel gezet."

 

 
Advertisement
JoomlaWatch Stats 1.2.9 by Matej Koval