Bij dat zogenaamde wetenschappelijk onderzoek blijkt het bij nadere beschouwing te gaan om een scriptie van Harmen van der Wilt, een student van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van enige objectieve distantie tot zijn onderzoeksonderwerp is geen sprake bij Harmen, die het voorwoord van zijn scriptie besluit met de alinea: "Tenslotte komt Hem alle dank en alle eer toe, die mij de kracht en de wijsheid heeft gegeven om dit onderzoek tot een goed einde te brengen. Hij verdient het niet om gelasterd te worden, maar om geëerd en geprezen te worden." Het staat er echt!
Harmen mocht zich bij zijn "wetenschappelijk onderzoek" verheugen in de steun van de Bond tegen het Vloeken, schrijft hij zelf: "Mijn dank gaat uit naar de Bond tegen het Vloeken, die over mijn schouder heeft meegelezen en mij heeft voorzien van (niet-gepubliceerde) processtukken die betrekking hebben op zaken waarin sprake was van Godslasterlijke uitingen."
Dode letter of stok achter de deur?
Bij de inhoudelijke beoordeling van 'Het verbod op smalende Godslastering – afschaffen of nieuw leven inblazen?' komt het uiteraard aan op de gehanteerde argumenten. Dat houdt niet over. Neem het argument dat pleit voor afschaffing, dat het bij artikel 147 WvSr zou gaan om een zogenaamde 'dode letter'. Sinds de invoering in 1932 waren er drie veroordelingen, de laatste in 1965. Het arrest van de Hoge Raad bevestigde de vrijspraak van Van het Reve in het 'ezelsproces' in 1968, omdat de volksschrijver niet het vooropgezette doel had om te lasteren, en maakte zo een eind aan de strafrechtelijke vervolging wegens smalende godslastering in Nederland. Er volgden nog wel aangiftes (zoals tegen het lied Het wijnjaar nul van cabaretduo Van Kooten en De Bie, de film The life of Brian, het tv-programma God bestaat niet van de RVU en de kruisigingsact van Madonna), maar dat leidde niet tot veroordelingen, onder meer met een verwijzing naar de vrijheid van meningsuiting; in een deel van de gevallen werd al door het OM geseponeerd.
De scriptieauteur (lees: de Bond tegen het Vloeken) vindt het niet terecht dat een verdachte alleen strafbaar is wanneer die expliciet erkent dat hij met zijn uitlatingen bewust de bedoeling had om de godsdienstige gevoelens van gelovigen te krenken. Die vereiste maakt een veroordeling vrijwel onmogelijk, zoals de jurisprudentie uitwijst.
Desondanks zou in de ogen van Van der Wilt en de Bond het krachteloze artikel 147 WvSr moeten worden gehandhaafd, omdat van zo'n wettelijk verbod een preventieve werking zou uitgaan. Het wetsartikel als stok achter de deur. Van der Wilt en de Bond vergeten gemakshalve dat zo'n stok alleen zin heeft als er van tijd tot tijd mee wordt geslagen. En dat is al meer dan 40 jaar niet gebeurd. Voor zo'n preventieve werking van het wetsartikel bestaat dan ook geen enkel objectief bewijs, geeft Van der Wilt op pagina 39 van zijn scriptie zelf toe.
Rechtsongelijkheid
Tijdens de discussie in de Tweede Kamer is erop gewezen dat artikel 147 WvSr, zonder enige noodzaak, gelovigen extra bescherming biedt. Het Kamerlid Boris van der Ham (D66) diende daarover begin dit jaar de volgende motie in: "De Kamer (...) overwegende dat de wet gelijke bescherming dient te bieden tegen opzettelijke en onnodige belediging wegens godsdienst, levensovertuiging, ras en seksuele gerichtheid; overwegende dat de huidige formulering van artikel 137c en verder van het Wetboek van Strafrecht in deze bescherming voorziet; voorts overwegende dat artikelen 147 en 147a Sr geen praktische toegevoegde waarde hebben; verzoekt de regering, een voorstel aan de Kamer toe te zenden om het verbod op godslastering (art. 147 en 147a Sr) uit het Wetboek van Strafrecht te verwijderen (...)."
Hiertegen voert Van der Wilt aan: "Mijn inziens wordt echter in art. 147 WvSr terecht onderscheid gemaakt tussen religie en levensbeschouwing. Gelovigen dienen een persoonlijke God; ongelovigen huldigen een bepaalde (in hun ogen tot heilig verklaarde) opvatting. Mijns inziens is dat een wezenlijk verschil." Gelovigen krijgen in zijn ogen geen extra bescherming, maar wel een aparte of een bijzondere bescherming "vanwege het feit dat zij in tegenstelling tot de ongelovigen in een transcendente werkelijkheid geloven met een heilige God als Opperwezen".
Een dergelijk onderscheid in wetgeving is stompzinnig: ook bij het uitdragen van een geloof gaat het om ordinaire meningsuiting. Er is niet ineens sprake van een ander of een hoger soortelijk gewicht als er een niet-bestaande godheid ten tonele wordt gevoerd.
Onrealistisch
Harmen van der Wilt ontpopt zich als iemand met een rijke fantasie als hij bij de slotconclusie van zijn "wetenschappelijk onderzoek" is aanbeland. Die komt er wat hem betreft, kort samengevat, op neer dat artikel 147 WvSr moet worden gehandhaafd, maar dan zo geformuleerd dat het vooropgezette doel om te lasteren of te kwetsen voor de strafbaarstelling nauwelijks een rol speelt. Ook moet de strafmaat wat hem betreft omhoog en, heel genereus, een partij als de SGP zal moeten slikken dat zo'n wetsartikel zich ook uitstrekt tot andere dan de christelijk-godsdienstige gevoelens. Zover zal het niet komen. De Tweede Kamer heeft immers al besloten artikel 147 WvSr uit het wetboek te zullen schrappen.
Grootinquisiteur
Zie ook
Hirsch Ballin werpt de handdoek
1. Geschreven door Reborn Atheist, op 20-09-2009 19:29 Het is al "godslastering" dat je je onzichtbare vriendje niet dankt voor iets wat je "presteert". Vergeet ik bijna: Tenslotte komt Hem alle dank en alle eer toe, die mij de kracht en de wijsheid heeft gegeven om deze reactie tot een goed einde te brengen. |
2. Geschreven door Ad, op 29-09-2009 19:30 Omdat God per definitie christelijk is (http://www.vandale.nl/vandale/opzoeken/woordenboek/?zoekwoord=god), zouden andere religies dus eigenlijk verboden moeten worden. |
|
| Wees aardig voor elkaar of je reactie wordt verwijderd! |
Powered by AkoComment Tweaked Special Edition v.1.4.6
AkoComment © Copyright 2004 by Arthur Konze - www.mamboportal.com
All right reserved